INFORMATIE

OVER

CONIFEREN

Conifeer is een verzamelnaam voor een tal groenblijvende planten. Zij dragen naalden of schubben. Naalden vallen om de paar jaar uit. Schubben worden oud en verdrogen. In de tussentijd maken de planten nieuw materiaal.

In onze omgeving( In het Friese kleigebied, dichtbij de Waddenzee) is als regel te hanteren dat coniferen in de "eerste luwte" dienen te worden geplant.

Voor coniferen is kippenmestkorrel  of ook: DCM5 een geschikte mest: 1 kg op ca. 10 m/2 is voldoende. Ook is er speciale coniferenmest in de handel. Om de planten goed te laten afharden is het verstandig om in september met kali na te bemesten.

Aan een slempige, dichtgeslibde bodem hebben verreweg de meeste planten een hekel, ook coniferen. Het is dus zaak van tevoren een bodemverbetering toe te passen. Nader advies hieromtrent kan bij ons worden ingewonnen.

TAXUS

Al in de middeleeuwen bekend in onze streken is de Taxus (venijnboom). Het hout is uitermate buigzaam en sterk. Men maakte er bogen van. De Taxus is een zeer langzaam groeiende plant. Een plant kweken van ca. 80 cm. hoog duurt zo'n 7 jaar. Daarmee laat het zich verklaren dat de Taxus één van de duurdere coniferen is. De Taxus houdt van een goede doorlatende bodem: ze kan slecht tegen een 'natte voet'. Eenmaal geplant, groeit ze het eerste jaar nauwelijks. Soms is bij verplanten een behoorlijke terugval te constateren. Het is bij de Taxus belangrijk, dat bij herplant  zon- en schaduwzijde niet worden verwisseld. Een Taxus verlangt kalkhoudende grond. Het snoeien van een Taxus kan gebeuren in september. Eventueel in de 14 dagen na de langste dag en ook in maart/begin april.

De Taxusfamilie omvat een aanzienlijk aantal soorten. De bekenden zijn: Taxus baccata; Taxus media 'Hicksii' als heggeplant. De zuilvorm is de Taxus baccata 'Fastigiatia (Robusta)' en de gele: 'Aurea'. Op onze kwekerij hebben we o.m. staan de Taxus bacc. 'Schwarzgrün', een fraaie donkergroene cultivar.

THUJA

De Thuja is een conifeer die veel wordt aangeplant als heg. De conifeer gedijt het best op licht zure grond. (pH: ca. 5.0); op Ferskaat groeien ze uitstekend op pH 6.5. Dit zijn dat wel de sterkere soorten.

De dichtheid van een conifeer, dus ook van de Thuja, wordt verkregen door nauwkeurig snoeien, liefst met een scherp mes: het zgn. sporen. Op de kwekerij sporen we de Thuja in de regel in april. September is ook een goed tijdstip.

Een Thuja verdraagt wat nattigheid goed. Toch is ook bij deze plant een goed doorlatende plantplaats van veel belang. Op zeer vaste grond is de kans dat schimmels toeslaan, vrij groot.

In onze omgeving zijn goed aan te planten: Thuja occidentalis 'Albo Spicata'. Een conifeer die de kleigrond goed verdraagt. Heel bekend is de Thuja occ. 'Frieslandia', een sterke goede hegconifeer. Wie niet al te dicht bij de zee woont, kan ook uit de voeten met de Thuja occ. 'Brabant'. Als solitair valt te noemen: de Thuja occ. 'Smaragd' met zijn prachtige groene kleur en vorm. En ook de Thuja occ. 'Globosum', een mooie ronde vorm.



CUPRESSOCYPARIS

Deze sterke snelgroeier wordt ook wel "zeeconifeer" genoemd. Hiervan is zoveel waar dat het een van de sterkste soorten is. Maar in onze regio kent hij als windvanger toch wel beperkingen. Op Ferskaat, in de 'eerste luwte' gedijt de Cupressocyparis uitstekend. De oost- of westkant: het scheelt soms de helft.

De snelle groeier dient door snoeien goed in toom te worden gehouden: in juni en september. Het snoeien kan d.m.v. sporen of met een heggenschaar.

Deze conifeer verdraagt een vochtige standplaats, verlangt echter wel een goed doorlatende grond. Te vaste grond verstikt de plant. Er dient niet te diep te worden geplant. Planten moeten worden aangebonden.

De Cupressocyparis leylandii is de bekendste soort. Op de kwekerij groeit hij zo snel, dat hij aan stok gekweekt moet worden. Dat maakt hem voor veel kwekers onaantrekkelijk (arbeidsintensief). . Als de plant eenmaal vaststaat, groeit hij tot een meter per jaar.

Een fraaie cultivar is de Cu. leyl. 'Castewellan Gold'. Deze groeit iets langzamer dan de soort en heeft een mooie geel-groene kleur. Nog geler is de Cu. leyl. 'Goldrider', die nog langzamer groeit en een wat lossere groei vertoont.

Nieuw is de Cu. leyl. '2001'. Deze cultivar is zeer bossig, hoeft niet aan stok gekweekt en heeft een prachtige frisgroene kleur. Op Ferskaat valt hij te bezien.

Een andere nieuwe cultivar, die zijn waarde volop bewijst is de Cu. leyl. 'Blue Jeans'.  De plant vertoont een prachtige blauw-groene glans die met goed snoeien is te handhaven.

De twee nieuwste cultivars zijn de Cu.l.'De Geusert'  en de Cu.l. 'Reco'.

OVERIG

Van coniferen zijn er honderden soorten en ondersoorten, voorkomend over de hele wereld. Het laat zich verstaan dat hiervan maar een beperkt aantal in onze omgeving wil groeien. We noemen een paar:

TSUGA CANADENSIS = Canadese Hemlockspar. De cultiver 'Jeddeloh' is geschikt voor de kleinere tuin.

METASEQUOIA GLYPTOSTROBOIDES = Oermammoetboom. Naaldverliezende conifeerboom. Krachtig groeiend. Een boom met een prachtige gestalte.

PINUS NIGRA NIGRA = Oosterijkse Den. Een van de sterkste dennensoorten. Zeewindbestendig. Vraagt wel veel ruimte.

PINUS MUGO MUGHUS = Kromhoutden. Een dwergvorm van de bergden. Geschikt voor de kleinere tuin. Goed zeewindbestendig.

JUNIPERUS C.V.: = Jeneverbes. De Juniperus kent vele verschijningsvormen. De bodembedekkers zijn vooral geschikt voor drogere gronden. De 'Media' vormen, zoals de Hetzii en de Old Gold zijn goed winterhard en redelijk zeewindbestendig.

Terug